![]() |
[Foto: Wilde planten op Texel] |
De stengels van de bloeiende ogentroosten zouden ontstekingsremmende en bacterieremmende, samentrekkende en verzachtende stoffen bevatten. Die stoffen zouden vooral werkzaam zijn op de tere huid rond de ogen en de slijmvliezen. Daarom werd de plant al vanaf de Middeleeuwen door lichtgelovige mensen gebruikt voor kompressen en als oogwater bij geïrriteerde en branderige ogen.
Dat juist in de duistere 14de eeuw de rode ogentroost plots in de medische schijnwerpers kwam had te maken met de zogenaamde signatuurleer. Volgens dat bijgeloof dacht men dat bepaalde uiterlijke kenmerken van een plant, die leken op delen van het menselijk lichaam, aanwijzingen gaven dat ze voor de behandeling van klachten van precies dat deel gebruikt konden worden. De rode ogentroost had paarsige aderen op de bloembladeren en een afkooksel van de plant met rode wijn zou tandpijn doen stoppen.
In de rode ogentroost worden in kleine hoeveelheden inderdaad enkele werkzame stoffen aangetroffen, zoals de iridoïde glycosiden aucuboside (aucubine) en ixoroside. Beiden werken in lichte mate ontstekingsremmend omdat ze bedoeld zijn als verdediging tegen vraatschade en plagen. Voor mensen smaken deze stoffen behoorlijk bitter.
Er zijn ondertussen wat wetenschappelijke onderzoeken verricht om te kijken of de rode ogentroost mogelijk toch werkzaam was bij tandproblemen. Uit niets bleek enige werkzaamheid en ga er dus maar van uit dat het volslagen nutteloos is als potentieel medicijn.
Zelf denk ik dat een prachtige plantje juist gebaat is bij een bewezen onwerkzaamheid. Nu kunnen we gelukkig genieten van een veld vol rode ogentroost op Texel zonder dat we de neiging hebben om de bloemen te plukken.