Visdraad (of Apenhaar)

Visdraad (Chaetomorpha linum) wordt ook wel apenhaar genoemd. Dat is alleen waar als apen groen haar hebben, want visdraad is een wier. Visdraad ziet er uit als een kluwen helder- tot donkergroen nylon vislijn en doet dan denken aan aangespoeld afval. Niet direct nonchalante vissers de schuld geven, want de naam voor dit zeewier is perfect gevonden.

Dit wier is inheems in Noordwest-Europa, maar is intussen ook al in Australische wateren aangetroffen. Onderzoek in India – ook daar leeft het visdraad al naar volle tevredenheid – toonde aan dat het wier een natuurlijke anti-oxidant is en heeft het een antibacteriele werking. In de Waddenzee komt het veelvuldig voor.
Een draad bestaat uit een rij cellen (filamenten), die zo groot zijn, dat ze met het blote oog te zien zijn. Die filamenten zijn onvertakt en gewoonlijk tussen de 5 en 30 centimeter lang. Dit delicate wier kan zonder vaste ondergrond door blijven groeien en is daardoor free floating, het drijft met de zeestroming en de getijden mee. Visdraad leeft in ondiep, beschut water. Het wordt vooral aangetroffen op droogvallende zand- of slikplaten of tussen andere wieren. Vooral in de zomer liggen op het wad vaak grote kluwens visdraad, die beschutting bieden aan kleine vlokreeftjes, strandkrabben en wadslakjes.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Chaetomorpha, is een combinatiewoord uit het Grieks, waar khaite 'lang haar' betekende plus morphe, dat '(uiterlijke) vorm' betekende. Samen is dat dus 'lijkt op lang haar'. Het tweede deel, linum, betekent uiteraard 'lijn' in het Latijn.

Visdraad is eetbaar, maar wordt door vele planteneters niet lekker gevonden. Maar voor de mens geeft visdraad een unieke smaakbeleving. Door de bijzondere structuur van deze zeegroente knarst het heerlijk tussen de tanden. Rauw past het heerlijk in een salade, combineert fantastisch bij vis en schelpdieren en is bovendien zeer decoratief als garnering. Bij de zeer gespecialiseerde groentegroothandel is visdraad tegenwoordig te bestellen. Zie bijvoorbeeld hier.

Dit wier wordt veel gebruikt in aquaria omdat het heel goed is om nitraten uit het water te zuiveren, de pH-waarde te reguleren en nog wat details die aquariumhouders zeer interessant vinden, maar ik niet.

Zilt Torkruid

Zilt torkruid (Oenanthe lachenalii) is een bewoner van natte ondergronden. Ze groeien tot een behoorlijke hoogte en zijn vrijwel onbehaard. De bladeren zijn spatelvormig en zilt torkruid bloeit van juni tot september met witte bloemen, waarvan de kroonbladen iets ongelijk zijn. De helmknoppen hebben een helderroze kleur. De bloeiwijze is een scherm met zeven tot dertien stralen. Zilt torkruid houdt van een brak tot ziltig milieu. Buitendijks groeit het aan de rand van kwelders op plaatsen waar zoet water toevloeit en aan de voet van duintjes of in vochtige duinvalleien.
Zilt torkruid komt voor in Zuid- en West-Europa. Ook aan de overkant van de Middellandse Zee treft men dit plantje aan aan de voet van het Atlasgebergte. In Nederland is het vrij zeldzaam aan het worden in het Zeeuwse Deltagebied, maar aan de kuststroken ten noorden van Callantsoog komt zij nog algemeen voor. Aan de getemde kusten van het IJsselmeer heeft zilt torkruid het maar lastig en lijkt daar zienderogen achteruit te gaan. Op de Waddeneilanden komt het in ieder geval voor op Texel, Terschelling en Ameland. Boven Harlingen verzilt de grond als gevolg van zout water die onder de dijk doorsijpelt en op de Hoarnestreek kan zilt torkruid dan ook aangetroffen worden.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Oenanthe, is weer eens een combinatiewoord uit het Grieks: oinos is ‘wijn’ en anthos is ‘bloem’. Samen beschrijft het de wat wijnachtige geur van de planten binnen deze familie. Het tweede deel, lachenalii, vernoemt de Zwitserse professor in de plantkunde Werner de la Chenal (1763-1800).

Zoals veel van zijn familieleden is ook zilt torkruid giftig als gevolg van de aanwezigheid van oenanthotoxine. Dat gif tast al snel het centrale zenuwstelsel aan en dat levert een aantasting van de zenuwen van het gezicht en lichaamsuiteinden op. Het lastige is dat veel van die soorten op een selderij lijken en het is dus een bijzonder slecht idee om je te vergissen. Dat sommige mensen de natuur intrekken om gezellig wat kruiden te plukken kan daardoor soms helemaal verkeerd aflopen.

Toch is de natuur niet voor één gat te vangen en een oosters broertje van zilt torkruid, Chinese selderij (Oenanthe javanica), is wel degelijk eetbaar. Deze plant wordt in diverse Aziatische landen en zelfs in Italië gekweekt. De jonge scheuten zijn in die landen populair als groente.

Brem

De brem (Cytisus scoparius) komt in heel Europa in het wild voor. Buiten Europa is hij echter een stuk minder welkom en in landen als Amerika en Australië zitten de overheden behoorlijk met hem in de maag. Hij lijkt de inheemse flora daar te verdringen en bemoeilijkt de houtkap.

Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Cytisus, komt van het Griekse woord kutisus (κύτισος), waarmee een soort klaver werd aangeduid. Nu is de brem natuurlijk geen klaver, maar een klaver (Trifolium) heeft net als de brem drie blaadjes. Het tweede deel, scoparius, is gelukkig wat eenvoudiger te verklaren en komt van het Latijnse woord scopoe dat ‘bezem’ betekent. Van oudsher worden van bremtwijgen bezems gemaakt en in Engelstalige landen heet de plant dan ook (Scottish) broom.
De giftigheid van de brem is voornamelijk het gevolg van de quinolizidine alkaloïde met de naam sparteïne (ook wel lupinidine genoemd), dat het hart, de bloedsomloop en de darmwerking stimuleert. Het kan daardoor ook fungeren als middel dat het ritmisch kloppen van een hart kan herstellen bij een hartritmestoornis. De uiterlijke gevolgen van de vergiftiging zijn misselijkheid, overgeven, opwinding, spierzwakte en stuiptrekkingen. De dood is zelfs niet uit te sluiten doordat er een fatale storing in de bloedsomloop kan optreden. Toch werd het vroeger wel aanbevolen als remedie tegen kinkhoest en astma.

Ook bevat de brem het alkaloïde cytisine dat chemisch ongeveer gelijk is aan nicotine. Het is natuurlijk niet aan te bevelen om de brem te gaan roken, maar deze cytisine wordt in sommige Oost-Europese landen al sinds jaar en dag gebruikt als middel om van een rookverslaving af te komen. Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat cytisine een agonist van de nicotine-receptoren in de hersenen is. Een agonist is een stof is die een receptor activeert. Vroeger werd de cytosine ook ingezet als middel tegen luizen, maar het grote probleem bleek dat de concentratie werkzame stof nogal onberekenbaar was en daardoor bleek het middel soms erger dan de kwaal. De cytisine werd via de huid in het lichaam opgenomen en daardoor konden vervelende reacties ontstaan.

De brem komt op alle Waddeneilanden voor in bosschages waar ook de rozebottel een plekje heeft gevonden. In november 2015 stonden enkele exemplaren op Vlieland en Texel door het warme weer opnieuw in bloei.

Vanaf 1154 tot 1399 heersten in Engeland de Plantagenets als koninklijke familie. Deze familie gebruikte brem als embleem. In het Latijn werd de brem ‘planta genista’ genoemd en de familie vernoemde zich dus naar de brem.

Italiaanse aronskelk

De Italiaanse aronskelk (Arum italicum) is het Mediterrane broertje van de inheemse gevlekte aronskelk (Arum maculatum). De Italiaanse aronskelk is hier al in de zeventiende eeuw gearriveerd en staat in Friesland bekend als stinzeplant. Dat zijn planten die ooit bedoeld waren om oude landgoederen aantrekkelijker te maken. De stinzeplanten duiken ook nog steeds op in tuinen waar weinig veranderingen plaatsvinden, zoals oude boerenhoeven, pastorietuinen en aanverwante milieus zoals kerkhoven, stadswallen en slotheuvels.

De Italiaanse aronskelk is al vroeg vanuit die milieus ontsnapt, vervolgens verwilderd en ze worden nu als ingeburgerd en inheems beschouwd. Toch is de Italiaanse aronskelk geen algemene verschijning en in het Waddengebied is deze soort alleen op Texel aangetroffen. Daar tref je hem aan in de meeste windsingels en bosjes.
[Foto: www.jparkers.co.uk]
De oorsprong van het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Arum, is vaag. Het woord zou, volgens sommige deskundigen, uit het Grieks stammen, waarbij Aron de naam voor een giftige plant zou zijn. Een veel betere verklaring is dat het Griekse woord Aron weer geleend is van het Hebreeuwse woord Jaron en dat betekent ‘een pijl of speer’ en dat is een duidelijke verwijzing naar de lansachtige kolf (de spadix) van de aronskelken. Tegelijkertijd is het dan een verbastering van het Griekse woord akon dat ook al pijl betekent. In Engelstalige landen wordt die spadix vergeleken met de staf van de Hogepriester Aaron, maar dat kan ook een geval van wensdenken zijn. Het tweede deel, italicum, betekent uiteraard '(uit) Italië'.

Het meest opvallende verschil tussen de Italiaanse aronskelk en de gevlekte aronskelk is dat de eerste 'gemarmerde' bladeren heeft met een geelwitte tint langs de nerven, terwijl de bladeren van de tweede soms bruin- en zwartgevlekt zijn.

Door de vorm van de spadix werd de gevlekte aronkelk soms als een lustverhoger, ofwel een afrodisiaca, gezien en dat was gezien zijn giftigheid nu niet echt een goed idee. Alle delen van de gevlekte aronskelk bevatten kristallen van calciumoxalaat, oplosbare oxalaten en cyanoforische glycociden. De gevolgen van inname zijn een gevoel van branderigheid en zwellen van de lippen, mond, tong en keel. Ook krijg je last van maagpijnen, krampen en duizeligheid door het eten van de bessen. Alle delen van de plant kunnen allergische reacties opwekken.

De knol van de gevlekte aronskelk kan behoorlijk omvangrijk worden en bevat veel zetmeel, dat – mits goed geroosterd en gemalen – in het verleden als voedsel gebruikt werd. Er werd in Engeland zelfs een drank van gebrouwen voordat thee en koffie waren geïntroduceerd. Ook werd van dat zetmeel een stijfsel geproduceerd waarmee de bekende kragen in de tijd van Elizabeth I (1533-1603) werden verstevigd en waar het ook een Engelse bijnaam aan te danken heeft: starchwort betekent stijfselwortel. Voor de wasvrouwen, die met dit stijfsel aan de slag moesten, was het beslist geen pretje omdat hun handen het door de giftigheid van de plant voortdurend moesten bekopen met pijnlijke blaren en kloven. Schoonheid had toen ook al zijn prijs. Al hoefden de rijkere landgenoten die prijs zelf niet te betalen.

Zeemelkdistel

De zeemelkdistel (Sonchus arvensis maritimus) is een ondersoort van de akkerdistel (Sonchus arvensis arvensis) die zich heeft aangepast aan veel voedselarmere omstandigheden. De akkerdistel is een plant van gematigde streken en komt daardoor in Nederland algemeen voor. Deze variant komt voor in oeverruigten, langs rivieren en meren, zeearmen en aan de rand van strandvlakten. Zijn zilte broertje kan aangetroffen worden op plekken waar nauwelijks voedsel te vinden is, zoals op de zeereep en duinen. Zijn uitgebreide wortelstelsel reikt dan ook een stuk dieper. Het resultaat is dat de zeemelkdistel een paar jaar langer nodig heeft dan de akkerdistel om tot volwassenheid uit te groeien. De planten sterven af in de winter, maar de wortelstok blijft leven en loopt het volgende jaar weer uit. Uiterlijk is er nauwelijks verschil tussen beide variëteiten te bekennen, maar de bladeren van de zeemelkdistel zijn iets meer ingetand.
Beide ondersoorten bloeien met helgele bloemen die aan die van de paardenbloem doen denken, maar dat is dus niet het geval. De zeemelkdistel kan tot een meter hoog worden en bloeit de hele zomer tot het einde van de herfst. Daarna verspreidt de zeemelkdistel veel pluizige zaden die met de wind worden meegevoerd.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Sonchus, is van Griekse oorsprong want σογκος (sogkos), wat 'distel(achtig)' betekent. Het tweede deel, arvensis, is Latijns en arvus betekent 'geploegd (veld)' of 'gecultiveerd (veld)'. Met andere woorden: deze soort tref je vooral aan op akkers want daar is de grond verstoord. Het derde deel, maritimus, is uiteraard van het Latijnse woord mare afgeleid, dat 'zee' betekent.

De zeemelkdistel is op alle Waddeneilanden aan te treffen. Hij kan bewonderd worden door liefhebbers van die unieke natuur, maar ook op je bord kan de zeemelkdistel een plekje krijgen. Jonge bladeren kunnen rauw (als salade) of gekookt (als spinazie) worden aangewend. De bladeren hebben een ietwat bittere smaak die echter verfrissend werkt. Deze bladeren zijn rijk aan vitamine C. Vergeet niet om de kleine stekels – het is tenslotte een distel – van de bladeren te verwijderen.

Beperkt wetenschappelijk onderzoek lijkt aan te tonen dat de zeemelkdistel zelfs zoveel flavonoïden bevat dat het zelfs antibacteriële effecten bezit.

Een tip: de wortel van de akkerdistel werd vroeger geroosterd en gebruikt als vervanger van koffie in tijden van tegenspoed. Met andere woorden: een potentieel gratis variant van de Bambukoffie van die man die zich vroeger dokter Vogel noemde, maar nooit dokter is geweest.

Zwartmoeskervel

Zwartmoeskervel (Smyrnium olusatrum) is een zeldzame verschijning en men wil u graag doen geloven dat hij alleen maar op Texel voorkomt. Die suggestie is niet helemaal waar omdat hij ook wordt aangetroffen in de duinen bij Den Helder en op Terschelling. Laten we daarom een compromis sluiten en zeggen dat hij voornamelijk in het waddengebied voorkomt.

De zwartmoeskervel een lid van de schermbloemenfamilie (Umbelliferae) en komt oorspronkelijk voor rondom de Middellandse Zee en kwam hij slechts sporadisch in onze contreien voor.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Smyrnium, verklaart de geur van myrre die de plant uitscheidt. Het Griekse woord Σμυρνιον is namelijk verwant aan σμνρνά (omnrna) dat ‘mirre’ betekent. Het tweede deel, olusatrum, is de naam die de Romeinse geleerde Plinius gaf aan een kruid: (h)olus-ater. Het Latijnse woord holus betekent ‘kruid’ en ater was ‘zwart’ of ‘donker’. Met andere woorden het was een kruid met zwarte zaden.

In de Engelse taal is deze plant bekend als horse parsley ('paardenpeterselie') en dat zegt direct iets over zijn gebruik in vroegere tijden. Het werd zowel als voeder voor paarden gebruikt en het was een vervanging van peterselie. Zwartmoeskervel is een zogenaamde vergeten groente met een smaak die het midden houdt tussen selderij en peterselie. Ooit werd het in vele gerechten toegepast, maar is in de vergetelheid geraakt en is nu voornamelijk vervangen door selderij.

Uiteraard werd zwartmoeskervel ook gebruikt als medicinaal kruid. Hoewel het kruid tegenwoordig weinig meer wordt toegepast werd zwartmoeskervel vroeger gebruikt om de spijsvertering te bevorderen. De Britse botanist Parkinson adviseert ons al in het jaar 1640 dat, wanneer zwartmoeskervel gedurende de vestenperiode (het tijdvak voor Pasen) wordt gegeten, alle onreinheden uit de maag worden verwijderd. Nicolas Culpeper (1616-1654), een andere herbalist, meent dat het zaad van van het kruid helpt tegen winderigheid en een koude maag. In vroegere kloostertuinen was het een veelvoorkomend kruid. Weet je ergens een oude locatie waar ooit een klooster heeft gestaan, dan zul je ook vaak verwilderde zwartmoeskervels aan kunnen treffen.

Alle delen van de plant waren eetbaar, maar in de negentiende eeuw was deze opmerkelijke plant bijna helemaal vergeten. Tegenwoordig wordt deze oeroude eetbare plant slechts verbouwd in enkele tuinen van oude families, maar ook in tuinen van mensen die in direct contact staan met de natuur.

Maar ik kan u hier en nu voorspellen dat zwartmoeskervel aan het begin van een zogenaamde revival staat en dat we binnenkort allemaal weer dit kruid gaan toepassen in allerlei gerechten. Misschien gaan sommigen onder u wel denken dat het een superfood is.

Gele hoornpapaver

De gele hoornpapaver (Glaucium flavum) is een kustbewoner, die in ons land inheems is, maar de soort leeft hier niet echt van harte. Het is dus een zeldzaamheid dat u een exemplaar in Nederland zult aantreffen. Zijn domein strekt zich uit vanaf de kusten van de Middellandse Zee en langs West-Europese kusten. Tot aan de Engelse zuidkust is de gele hoornpapaver vrij algemeen, maar noordelijker verwordt hij bijna tot een dwaalgast. Men vermoedt dat de zaden via de zeestroming worden meegevoerd en dat de plant vervolgens opslaat op het vloedmerk aan de duinvoet.

De gele hoornpapaver dankt zijn naam aan de peulvormige zaden, een kromme hauw die ook bij peulvruchten in gebruik is. Deze decimeterslange hauw eindigt in een haakvormige top. Dit lid van de papaverfamilie is een zomerbloeier met grijsgroenige bladeren en bloeit met gele bloemen.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Glaucium, is afkomstig van het Griekse woord γλαυκος ofwel glaukos, dat 'zeegroen' betekent en de kleur van de bladeren beschrijft. Het tweede deel, flavum, is ook al een kleur. Het is het equivalent van het Griekse ξανθος ofwel xanthos dat 'geel' betekent en dus de kleur van de bloemen aanduidt.

Zoals ik al zei is de gele hoornpapaver zeer zeldzaam in onze contreien en hoe noordelijker we gaan kijken, hoe zeldzamer de soort wordt. Vanuit het Waddengebied zijn de laatste paar jaar enkele waarnemingen gemeld: op Texel, op Terschelling, bij Harlingen en op Schiermonnikoog kun je stil van zijn schoonheid genieten, terwijl de zeewind heerlijk de zorgen uit je verstofte hoofd waait.

Dat de gele hoornpapaver tot de gevreesde papaverfamilie behoort betekent direct ook dat de soort in het bezit is van een potente alkaloïde met de naam glaucine. Aan dit stofje is wat wetenschappelijk onderzoek gewijd en men heeft ontdekt dat het de bronchiën in je longen kan verwijden. Bovendien heeft het een ontstekingsremmend effect. De gecombineerde effecten hebben er toe geleid dat men het in enkele landen in hoestdrankjes heeft opgenomen als vervanger van codeine. Gemakshalve is men vervolgens maar vergeten dat glaucine enkele minder leuke bijwerkingen heeft, zoals een verdovend effect, een gevoel van diepe vermoeidheid, lamlendigheid, misselijkheid en overgeven, maar het gebruik leidt ook tot hallucinaties. Het zal de lezer niet verbazen dat sommige ietwat avontuurlijk ingestelde mensen geprobeerd hebben of je het ook voor die laatste werking recreatief kunt toepassen.

Overigens heeft de gele hoornpapaver een exotisch broertje, de rode hoornpapaver (Glaucium corniculatum) en die heeft – niet zo verwonderlijk – rode bloemen. De wetenschappelijke soortnaam, corniculatum, is afgeleid van het Latijnse woord cornu dat 'hoorn' betekent. Deze soort wordt hier als zwerver gezien en wordt heel af en toe aangetroffen.

Behaarde struweelroos

De behaarde struweelroos (Rosa caesia) is in ons land een zeer zeldzame verschijning. Het is een broertje van de meer bekende rimpelroos (of rozenbottel). De behaarde struweelroos komt voornamelijk voor in delen van Zuid-, Midden- en Noord-Europa, maar vrijwel niet in de lage landen van West-Europa. Daar is de biotoop niet geschikt voor deze plant. Zuid-Limburg is de enige plaats van ons land waar vindplaatsen grenzen aan zijn natuurlijk verspreidingsgebied.

Deze struik heeft rechtopstaande takken die tot twee meter hoog kunnen groeien. In de zomermaanden bloeit deze roosachtige met lichtroze tot dieproze bloemen. De deelblaadjes zijn aan de bovenkant zeer losjes kortharig en aan de onderkant op het ganse oppervlak dicht ruwharig tot wollig behaard. De bladeren zijn klierloos en hebben vooral aan de onderkant een blauwgroene kleur. De bladeren hebben brede steunblaadjes. De behaarde struweelroos heeft een gedrongen groei met dicht vertakte jonge stammen die vaak rood zijn aan de zonnekant.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Rosa, lijkt eenvoudig maar is het niet. Het woord komt via enkele tussenstappen uit het Grieks, waar Rhodon ook al 'roos' betekende. Taalkundigen geloven dat het woord uiteindelijk terug te voeren is tot een uitgestorven taal (het Proto-Indo-Europees) waar het woord wrdho 'doorn' of 'stekel' heeft betekend. Het tweede deel, caesia, is van Latijnse herkomst, waar caesi, 'blauw-grijs' betekende. Ook het metaal Cesium (atoomnummer 55, symbool Cs) heeft dezelfde taalkundige bron omdat het karakteristieke lijnen heeft in het blauwe deel van het spectrum.

De soort komt voor op kalkrijke, al dan niet stenige bodems en zal vaak worden aangetroffen in bosranden, bergweiden en hagen. Ook oude kalkrijke duinen blijken een geschikte plaats te zijn voor de behaarde struweelroos om zijn wortels in de bodem te laten groeien.

Op Texel zijn enkele waarnemingen van de behaarde struweelroos gedaan als struweelvormende pionier en dat is toch wel een speciale vondst. Aan de overkant van het Marsdiep is de behaarde struweelroos ook aangetroffen in het Noord-Hollands Duinreservaat, een 5300 hectare groot bos- en duingebied tussen Wijk aan Zee en Bergen. Ook op het nabijgelegen Waddeneiland Terschelling heeft men de behaarde struweelroos enkele keren mogen aanschouwen.

Dat de behaarde struweelroos zich zo thuisvoelt op de Waddeneilanden is overigens niet zo verwonderlijk. Waddeneilanden hebben door de specifieke ligging en opbouw vaak speciale microklimaten, die zelfs per duinpan kunnen verschillen. Die microklimaten zorgen er mede voor dat er ook unieke planten kunnen groeien en bloeien die je nergens anders zult aantreffen.

Zeealant

De zeealant (Inula crithmoides) komt in Europa voor aan de kusten van het Middellandse Zeegebied, aan de Atlantische kust van Spanje en Portugal tot in Normandië in Frankrijk en aan de kusten van de Britse Eilanden (Zuid- en Oost-Ierland, Zuidwest-Schotland, Wales, Zuid- en Oost-Engeland).

Zeealant is een makkelijk te herkennen gele composiet. Een volgroeide bloeiende plant heeft een tot een meter hoog reikende rechtopgaande stengel, vlezige bladen en aantrekkelijke gele bloemen. Het domein van de zeealant is de overgang van zoute naar zoete ondergronden. Zeealant komt daardoor op uiteenlopende standplaatsen voor: rotsen en kliffen, vloedmerken op hoge kwelders en duinvoeten op de overgang van zout naar zoet.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Inula, heeft de taalgeleerden voor heel wat hoofdbrekens gezorgd. De meest aanvaarde theorie is dat de naam van dit geslacht afstamt van het Griekse woord helenion, wat zoiets betekent als 'door Helena (gezaaid of verspreid)'. Het tweede deel, crithmoides, betekent 'lijkend op gerst', want crithmum is 'gerst' in het Grieks en verklaart het feit dat de zaden van zeealant op die van gerst lijken.

In de oudheid werd de wortel van de zeealant voor allerlei kwaaltjes toegepast. Het zou de spijsvertering weer op orde kunnen brengen en zou voor een vrolijk gemoed zorgen. De plant werd in vele kloostertuinen en kruidentuinen aangeplant als een medicinale plant of keukenkruid. De wortel werd zelfs met suiker bedekt en als een soort lolly aan kinderen gegeven. Natuurlijk is het gebruik van zeealant voor medicinale doeleinden door de komst van moderne medicijnen in onbruik geraakt.

De belangrijkste inhoudsstof van die wortel is inuline. De plant zet die inuline af als een soort voedselvoorraad om de winter door te komen. Bovendien voorkomt die inuline bevriezing van het wortelstelsel. Inuline heeft zelf geen zoete smaak, maar de afbraakproducten, fructo-oligosacchariden genoemd, smaken toch wel ietwat zoetig.

Door de voortdurende opwarming van de aarde verschijnen exemplaren van de zeealant steeds noordelijker. In 2006 werd de eerste waarneming in Nederland gedaan op de strandvlakte van de Kwade Hoek op het Zeeuwse Goeree. Daarna volgden de Waddeneilanden Griend en Texel. De vierde vondst van de soort in Nederland en tevens de meest noordoostelijke ooit werd in 2015 gevonden nabij het Willemsduin op Schiermonnikoog.

Rode ogentroost

De rode ogentroost (Euphrasia odontotes) is een halfparasiet, die wel bladgroen bezit, maar ook met zijn zuigwortels water en zouten aan de wortels van kruiden en grassen onttrekt. Het is een in Nederland zeer zeldzame beschermde eenjarige plant. De rode ogentroost heeft violette buisvormige bloemen met een gele keelvlek en paarsige aderen in de boven- en onderlip.
[Foto: Wilde planten op Texel]
Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Euphrasia, vernoemt één van de Griekse Gratiën. Dat waren zusjes en dochters van Zeus met de namen Euphrosyne (‘blijheid’), Aglaea (‘glans’) en Thalia (‘bloei’). De naam Euphrosyne komt weer van het oudere euphrosynos dat zoiets als ’blijdschap’ betekende. Het tweede deel, odontites, heeft te maken met tanden (het Griekse woord οδουτο betekent 'tand' en het verwijst naar het gebruik van de rode ogentroost bij tandontstekingen.

De stengels van de bloeiende ogentroosten zouden ontstekingsremmende en bacterieremmende, samentrekkende en verzachtende stoffen bevatten. Die stoffen zouden vooral werkzaam zijn op de tere huid rond de ogen en de slijmvliezen. Daarom werd de plant al vanaf de Middeleeuwen door lichtgelovige mensen gebruikt voor kompressen en als oogwater bij geïrriteerde en branderige ogen.

Dat juist in de duistere 14de eeuw de rode ogentroost plots in de medische schijnwerpers kwam had te maken met de zogenaamde signatuurleer. Volgens dat bijgeloof dacht men dat bepaalde uiterlijke kenmerken van een plant, die leken op delen van het menselijk lichaam, aanwijzingen gaven dat ze voor de behandeling van klachten van precies dat deel gebruikt konden worden. De rode ogentroost had paarsige aderen op de bloembladeren en een afkooksel van de plant met rode wijn zou tandpijn doen stoppen.

In de rode ogentroost worden in kleine hoeveelheden inderdaad enkele werkzame stoffen aangetroffen, zoals de iridoïde glycosiden aucuboside (aucubine) en ixoroside. Beiden werken in lichte mate ontstekingsremmend omdat ze bedoeld zijn als verdediging tegen vraatschade en plagen. Voor mensen smaken deze stoffen behoorlijk bitter.

Er zijn ondertussen wat wetenschappelijke onderzoeken verricht om te kijken of de rode ogentroost mogelijk toch werkzaam was bij tandproblemen. Uit niets bleek enige werkzaamheid en ga er dus maar van uit dat het volslagen nutteloos is als potentieel medicijn.

Zelf denk ik dat een prachtige plantje juist gebaat is bij een bewezen onwerkzaamheid. Nu kunnen we gelukkig genieten van een veld vol rode ogentroost op Texel zonder dat we de neiging hebben om de bloemen te plukken.

Paarse Morgenster

De meeste soorten van het geslacht morgenster bewonen de kusten van de Middellandse Zee. De weinige soorten die ons land hebben bereikt zijn nauwelijks van elkaar te onderscheiden door hun gele bloemen. Dat is beslist niet het geval met de paarse morgenster (Tragopogon porrifolius), die zich getooid heeft in het paarsblauw. Zoals de naam morgenster al aangeeft zijn de bloemen alleen vóór de middag open.

De morgenster groeit tot een hoogte van zo'n 120 centimeter. Zoals bij alle soorten morgenster het geval is, is zijn stengel kaal en doen de smalle bladeren aan gras denken. Wanneer je de stengel knakt zal er een melksap uitsijpelen.
[Foto: victoriadailyfoto.blogspot.com]
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Tragopogon, is een combinatiewoord uit het Grieks, waar tragos (τραγος) een 'hij-geit' (ofwel 'bok') is en pogon (πογον) 'baard'. Samen verklaart het het rafelige beeld van de niet zo netjes samengegroeide bladeren. In Engeland noemt men de paarse morgenster zelfs goatsbeard. Het tweede deel, porrifolius, is ook al een combinatiewoord, maar nu uit het Latijn: porri stamt van purrom, dat 'prei' betekent en folium is 'blad'. De plant had dus bladeren zoals die van prei.

Ooit, heel lang geleden in tijden van schaarste, at men de wortels van de paarse morgenster als, nou ja, wortels. Hij werd in de 16de eeuw zelfs in een aantal landen in West-Europa cultuur gebracht, maar het gebruik verwaterde in de 18de eeuw toen hij voorbij werd gestreefd door de schorseneer. Toch zijn er bij gespecialiseerde zadenhandelaren nog enkele variëteiten te koop. Men claimt dat de wortels een beetje naar oesters smaken, waardoor geschaafde jonge wortels vaak over een salade gestrooid werden. Wat oudere wortels werden als bietjes of wortels gekookt.

Omdat de paarse morgenster hier wat geforceerd naartoe is gehaald, heeft hij nooit een vaste plek in onze flora kunnen verwerven. Ondertussen is hij zeldzaam geworden en kan hij zich slechts handhaven in de periferie van ons land. Hij kan nog gevonden worden aan de kusten, waar hij dapper stand houdt in zeekleigebieden. Vanaf Vlieland wordt af en toe een waarneming gemeld.

Ooit dacht men dat de paarse morgenster een positief effect had op de lever en de galblaas. Dat is best mogelijk, zo denken wetenschappers nu, maar dat is het gevolg van de anti-oxidanten die zich in de wortel verbergen. Gaan we die paarse morgenster nu weer verbouwen en zal er binnenkort weer een vergeten groente bij Albert Heijn worden geïntroduceerd? Welnee, in een sinaasappel zitten véél meer anti-oxidanten. Laat die zeldzame paarse morgenster gewoon genieten van de ochtendzon.

Hartgespan

Hartgespan (Leonurus cardiaca) is een zeldzaam lid van de grote Muntfamilie (Lamiaceae) met vermoedelijk Aziatische voorouders. Ooit was hartgespan befaamd om zijn geneeskrachtige werking en dat is dan ook de reden dat hij in een ver verleden via zuidelijk Europa uiteindelijk in onze contreien terecht is gekomen. Deze plantensoort heeft zelfs de oversteek naar het Amerikaanse continent gemaakt.

Hartgespan heeft een wat vierkante, vaak paarsig gekleurde stengel die bedekt is met kleine haartjes. De plant zal tot een hoogte van maximaal 100 centimeter kunnen uitgroeien. De bladeren zijn diep ingesneden, zijn aan de bovenzijde ietwat behaard, terwijl ze aan de onderzijde grijzig van kleur zijn. Hartgespan bloeit gedurende de maanden juli en augustus met kleine roze dicht opeen staande harige bloemen.
[Foto: Arthur Haines]
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Leonurus, is een combinatiewoord van het Latijnse leon (‘leeuw’) en het Griekse oura (‘staart’). Samengevoegd betekent het dus ‘leeuwenstaart’ en het probeert de vorm van de plant te beschrijven. Dat die gelijkenis opmerkelijk is blijkt ook uit het feit dat hartgespan in Engelstalige landen ook wel lion's tail of lion's ear wordt genoemd. Het tweede deel, cardiaca, is uiteindelijk terug te voeren tot het Griekse kardia dat ‘hart’ betekent.

Vroedvrouwen gebruikten hartgespan om een aantal problemen op te lossen. Het werd gebruikt als een ontsmettende tonic om de baarmoeder te schonen zodat dodelijke infecties minder zouden voorkomen. Vandaar ook zijn officiële Engelse naam motherwort (‘moederwortel’). Ooit werd hartgespan ook ingezet bij hartritmestoornissen en spijsverteringsklachten. Bovendien werden aftreksels gebruikt bij de wondverzorging. Dat hartgespan ooit als geneeskrachtig kruid werd ingezet wil natuurlijk niet zeggen dat de veronderstelde werking ook echt bestond. Wetenschappelijk onderzoek heeft ondertussen echter uitgewezen dat hartgespan inderdaad een antibacteriele en ontstekingsremmende werking heeft. Bovendien is nu eveneens vastgesteld dat hartgespan rustgevende en bloeddrukverlagende eigenschappen heeft[1].

Hartgespan is, zoals al in de inleiding werd opgemerkt, een zeldzame verschijning. Oudere waarnemingen werden voornamelijk in steden en dorpen gedaan en dat zullen in de meeste gevallen wel afstammelingen van ontsnapte tuinplanten geweest zijn. De plant levert behoorlijk kiemkrachtig zaad en dat kan een verdere verspreiding eenvoudig verklaren. Zelfs op de meeste Waddeneilanden kan hartgespan af en toe worden aangetroffen en de reden daarvan is dat deze plant houdt van zeer stikstofrijke en vaak tevens kalkrijke grond. Maar mocht u hartgespan ooit aantreffen, laat hem dan met rust. De medicijnen van uw arts zijn namelijk veel beter gedoseerd.

[1] Wojtyniak et al: Leonurus cardiaca L. (motherwort): a review of its phytochemistry and pharmacology in Phytotherapy Research - 2013

Schijfkamille

Het areaal van de schijfkamille (Matricaria discoidea) was oorspronkelijk beperkt tot het noordelijke kuststreken van de Stille Oceaan: de plant leefde dus ooit aan de kusten van noordoost Azië en/of noordwestelijk Noord-Amerika. Het is namelijk niet helemaal duidelijk of hij in het verre verleden de oversteek van de koude Beringzee heeft gemaakt of dat hij al in het gebied groeide tot de zeewaterspiegel in de laatste ijstijd zodanig verlaagd was dat het simpelweg één enkel gebied was.

De bloemen zijn, zoals bij vele andere kamillesoorten ook het geval is, helder geel, maar bij de schijfkamille ontbreken de witte lintbloemen (ofwel diens stralenkrans). Hij zit bovendien boordevol etherische oliën waardoor hij sterk naar kamille ruikt. Tel dat samen op en je hebt een eenvoudig te herkennen plantensoort.
[Foto: Wilde Planten op Texel]
De schijfkamille is een laag blijvende dofgroen gekleurde plant van maximaal 30 centimeter hoog met een gedrongen bouw, taaie stengels en ‘veerdelige’ bladeren. De stengels zijn zo taai dat ze nauwelijks te lijden hebben van betreding of berijding. Ze veren vrijwel direct weer op. Die kwaliteit maakt het uiterst geschikt om als pioniersoort als eerste nieuwe gebieden te veroveren. Op wegen, trottoirs of parkeerplaatsen weet hij altijd een plekje tussen de stenen of bitumen te vinden.

Het zal geen verrassing zijn dat de schijfkamille op alle Waddeneilanden zult kunnen aantreffen. Druk door toeristen betreden wandelpaden en bereden fietspaden kan de schijfkamille er niet onder krijgen.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Matricaria, heeft een Latijnse oorsprong en daarin herken je misschien het woord matrix (‘baarmoeder’). Het betekent zoiets als ‘van de baarmoeder’ en verwijst naar de geneeskrachtige werking van het geslacht. Het tweede deel, discoidea, is Grieks en stamt af van diskos dat weer heeft geleid tot ‘discus’. Het beschrijft de vorm van de bloemen.

De schijfkamille is een echte kosmopoliet en komt in een groot deel van de gematigde delen van Europa voor. In Nederland verscheen de schijfkamille omstreeks 1900 voor het eerst, maar enkele jaren later was vrijwel het hele land gekoloniseerd.

De jonge bladeren van de schijfkamille zijn eetbaar en zijn wel eens gebruikt in salades (al kunnen ze te bitter worden op het moment dat de plant in bloei komt) en als kruidenthee. Zoals de meeste kamillesoorten worden er geneeskrachtige effecten aan de schijfkamille toegeschreven, waaronder als verlichting van maag- en darmproblemen, infecties en koorts. Ook zouden ze bloedarmoede na een bevalling kunnen tegengaan. Nuttig plantje dus.

Bitterling

De bitterling (Blackstonia perfoliata) behoort tot de gentiaanfamilie (Gentianaceae). Het is een eenjarige plant, die niet hoger reikt dan 50 centimeter. Hij bloeit van juni tot oktober met kleine, tere gele bloemen. De bloemen zijn hermafrodiet (ze hebben zowel mannelijke als vrouwelijke kenmerken) en bestuiven dus zichzelf.

Bitterling moet eigenlijk beschouwd worden als een serie ondersoorten, die samen en afzonderlijk voorkomen in de zuidwestelijke helft van Europa, wat delen van zuidwestelijk Azië en noordelijk Afrika. De in Nederland inheemse vorm staat bekend als de herfstbitterling (Blackstonia perfoliata serotina). Eigenlijk loopt zijn areaal tot Zuidwest-Frankrijk, maar in ons land heeft de bitterling een soort bruggenhoofd, die dus zo’n 400 kilometer noordelijker ligt dan zijn eigenlijke groeigebied. De tweede vorm, die soms in Nederland wordt aangetroffen is de zomerbitterling (Blackstonia perfoliata perfoliata), wiens areaal bijna tot Nederland reikt. In het verleden waren Midden-Engeland en Noordelijk België wel zijn meest noordelijke grenzen, maar ook hier heeft de voortdurende opwarming van de aarde gezorgd voor een verplaatsing van die ‘meest noordelijke grens’.
[Foto: Jeffdelonge]
Beide vormen, herfstbitterling en zomerbitterling, worden de laatste jaren zowel op Texel als op Schiermonnikoog aangetroffen. Ook hier blijkt dat de zogenaamde microklimaten in de duinvalleien zorgen voor unieke omstandigheden, waardoor bepaalde planten in staat zijn om ver ten noorden van hun oorspronkelijke groeigebied te overleven.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Blackstonia, eert de Engelse apotheker en plantkundige John Blackstone (1712-1753). Het tweede deel, perfoliata, is een combinatie woord dat Latijnse oorsprong is: per is ‘door’ en folium is ‘blad’. Samen wordt dit '(steel) door het blad' en het verklaart de bouw van plant. Het derde deel, serotina, is afgeleid van het Latijnse sero, dat ‘laat’ betekent en verwijst naar de wat latere bloeiperiode van de herfstbitterling ten opzichte van de zomerbitterling.

In Engeland staat de bitterling bekend als yellow wort (‘geelwortel’) en daar produceerde men ooit een gele kleurstof uit die wortels.

De naam bitterling duidt natuurlijk op de bittere smaak van de plant en dus kon het niet uitblijven dat men vroeger de plant soms als medicatie probeerde te gebruiken voor maag- en darmproblemen. Wetenschappelijk onderzoek[1] heeft ondertussen uitgewezen dat de werkzame stoffen van de bitterling schimmelvorming tegengaan. Ik weet eigenlijk niet of je zoiets positief of negatief moet uitleggen: een fungicide is immers een gifstof voor schimmels. Omdat er verder maar bitter weinig onderzoek is verricht naar de bitterling kunnen er zich nog andere onbekende stofjes in huizen, die ongezond voor het menselijk organisme blijken te zijn. Afblijven dus is het devies. Geniet van deze unieke planten in het unieke Waddengebied.

[1] Van der Sluis et al: Gentiogenal, a conversion product of gentiopicrin (gentiopicroside) in Planta Medica - 1983

Zilte aardappel

Door de toenemende opwarming van de aarde wordt het probleem van verzilting van landbouwgronden steeds nijpender. De meeste voedselproducten groeien immers het best wanneer hun wortels heerlijk zoet water kunnen opnemen uit de bodem, maar zullen groeiproblemen gaan vertonen wanneer het grondwater verzilt. Ook in ons land verzilten door een toenemend neerslagtekort en een steeds grotere kweldruk de teeltgebieden van aardappelen.

Daarom is het een grote prestatie dat een Nederlandse aardappelkweker er in geslaagd is om een aardappelsoort te ontwikkelen die niet alleen in een zilt milieu kan overleven, maar zich ook goed kan ontwikkelen. Doordat de ‘Zilte Aardappel’ andere mineralen dan de 'reguliere' aardappel uit de bodem zal kunnen opnemen heeft deze soort een bijzonder goede smaak. In 2012 onderzochten ze 26 potentieel zouttolerante rassen, dit jaar is de eerste oogst van de 'Zilte Aardappel' en over niet al te lange tijd zal de ‘Zilte Aardappel’ in de schappen van de supermarkt te vinden zijn.

Zilt Proefbedrijf Tested on Texel in Den Burg heeft met de ‘Zilte Aardappel’ eind 2013 de Climate Adaptation Business Challenge gewonnen, een wedstrijd voor initiatieven van ondernemers die het beste inspelen op de wereldwijde klimaatverandering. Het project won een prijs van €25.000, die gebruikt zal worden om te onderzoeken hoe deze aardappel op grotere schaal kan worden verbouwd.

Het Zilt Proefbedrijf van dr. Arjen de Vos en Marc van Rijsselberghe werkt samen met aardappelkwekers Biemond uit Eenrum en Fobek uit Sint Annaparochie. Samen streeft men er naar om over een aantal jaren een perfecte zouttolerante aardappel af te leveren. Het liefst ontwikkelen de onderzoekers verschillende rassen, die geschikt zullen zijn voor verschillende gehaltes aan zout in de grond. Hiermee wordt uiteraard geen halt toegeroepen aan de verdergaande verzilting van landbouwgrond door klimaatverandering en de stijging van de zeespiegel, maar betekent wel degelijk nieuwe mogelijkheden in een veranderende wereld.

"Verzilting is wereldwijd een grote bedreiging voor onze voedselproductie. Als het ons lukt om zilte aardappelen te ontwikkelen die op verzilte grond gemakkelijk uit de voeten kunnen, dan buigen we deze bedreiging om in een enorme kans. Miljoenen mensen over de hele wereld eten immers dagelijks aardappelen", zo verklaart Marc van Rijsselberghe.

Meer informatie is hier te vinden.

Kopergroenbekerzwam

De kopergroenbekerzwam is een zeldzame verschijning, maar de laatste tijd zijn er toch met enige regelmaat waarnemingen uit het waddengebied: van Texel, Vlieland en Terschelling zijn meldingen gekomen van de twee bestaande soorten.

Deze twee soorten, de gewone kopergroenbekerzwam (Chlorociboria aeruginosa) en de grootsporige kopergroenbekerzwam (Chlorociboria aeruginascens), verschillen onderling maar zo weinig dat er een microscoop aan te pas dient te komen om uitsluitsel te geven om welke soort het precies gaat. Daarom heeft men maar besloten om zich niet al te druk te maken en gewoon opgetogen te zijn als men een exemplaar aantreft.
[Foto: Jimm]
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Chlorociboria, is een combinatiewoord uit het Grieks, waarbij chloro afgeleid is van khloros, dat lichtgroen of geelgroen betekent en ciboria afgeleid is van kibōrion, dat ooit een (metalen) drinkbeker betekend heeft. Het tweede deel van de gewone kopergroenbekerzwam, aeruginosa, komt van het Latijnse woord aeruginosus, dat roestig betekent in de zin van koperoxidatie dat een prachtige kopergroene kleur opelevert. Het tweede deel van de grootsporige kopergroenbekerzwam, aeruginascens, is verwant aan de voorgaande verklaring, komt dus ook uit het Latijn en betekent ‘roestig worden’.

De naam kopergroenbekerzwam is uitermate goed gekozen omdat het zwammetje de vorm van een minuscuul bekertje heeft en een prachtige kopergroene kleur heeft. Je zou dus denken dat deze paddenstoelen bijzonder opvallend zijn, maar ze zijn zo klein dat ze toch snel over het hoofd gezien worden.

Die kopergroene kleur heeft de zwam te danken aan een pigment met de naam xylindein. Omdat de zwam ook het onderliggende hout ‘infecteert’ zal dat ook de kenmerkende kopergroene kleur krijgen en dat werd in Engeland ooit gebruikt voor het inleggen van bepaalde soorten houtsnijwerk. Nu niet meer. Ook dat is het gevolg van de zeldzaamheid van de kopergroenbekerzwammetjes.

Parnassia

De parnassia (Parnassia palustris) is een bewoner van het noordelijk halfrond. Ooit, in tijden dat de bewoners van Nederland nog niet zoveel met hun landschap hadden aangeprutst, was de parnassia een veel voorkomende plant. Tegenwoordig is hij zeldzaam geworden door ontwatering, overbemesting, ontginning, bebouwing en verder alles wat onnatuurlijk is. Hij dient nu beschermd te worden tegen verdere achteruitgang.

Toch zijn er plekjes in Nederland aan te wijzen waar de mens niet ongebreideld de natuur heeft getemd en de belangrijkste daarvan zijn toch wel de Waddeneilanden. Het Wad moet gezien worden als de laatste Europese wildernis.

De steel van de parnassia kan een hoogte van circa 20 centimeter bereiken, de bladeren een lengte van 10 centimeter en de bloemblaadjes zo’n vier centimeter in doorsnede. Het is dus een opvallend heerschap. De van juli tot oktober bloeiende bloem heeft een vijftal bloemblaadjes met lichtgroene nerfjes.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Parnassia, vernoemt de beroemde Griekse berg Parnassus. Die berg is genoemd naar Parnassos, de zoon van de nymf Kleodora en de mens Kleopompus. Belangrijker is dat Parnassus in de literatuur veel vaker genoemd wordt als het tehuis voor de muzen en de Franse wijk Montparnasse is bekend omdat het sinds 1900 een verzamelplek voor allerlei kunstenaars werd. Het tweede deel, palustris, is afkomstig van het Latijnse woord palus, dat moeras betekent.

Franciscus Holkema (1840-1870), die als eerste en in zijn eentje de gehele Flora van de Nederlandse Waddeneilanden beschreef, meldde dat hij de plant op Texel aantrof in duinvlakken, duinlanden en op de Miente. [Op] Vlieland in de duinvalleien. [Op] Terschelling, in duinvlakken en op de heide bij Midslands. [Op] Ameland en Schiermonnikoog, in de duinvalleien en duinlanden. Dat alles schreef Holkema al in 1870 en nog steeds wordt de parnassia op alle Waddeneilanden aangetroffen. Het is een bewijs van de ongereptheid van het gebied.

De parnassia is verbonden met de muzen. Omdat deze plant een soort maagdelijkheid uitstraalt, is het ook niet verwonderlijk dat de parnassia ook in gedichten bezongen is.

Volgens kwakzalvers brengt parnassia nerveuze hartkloppingen en opwinding tot rust en het wordt tegen epilepsie gebruikt. Het stilt bloedvloeiingen, bloedspuwing, witte vloed en diarree. Het kruid is goed voor mensen met een geremd gevoelsleven. Whatever that means.

Wat ik wel weet is dat je de parnassia met rust moet laten omdat het een behoorlijk zeldzame verschijning is geworden. Als je alleen kijkt en geniet van dit maagdelijke plantje, dan hebben anderen er ook nog plezier van. Laat het je muze zijn. Holkema zelf stierf aan zijn passie voor de flora van het gebied.

Bijenorchis

In heel Nederland is de bijenorchis (Ophrys apifera) een zeldzame verschijning. Het is dus geen wonder dat men hem ter bescherming op de rode lijst van bedreigde plantensoorten heeft geplaatst. De bijenorchis is een middelhoge plant, bloeit van juni tot eind juli en vertoont dan prachtige bloemen, die in kleur variëren van rozerood, via bleekroze tot wit, met groene nerven.

Zijn verspreidingsgebied loopt van het westelijke deel van het Middellandse Zeegebied tot de kusten van noordwestelijk Europa. De Nederlandse kusten zijn dus het noordelijkste puntje van zijn voorkomen. In Nederland was hij in eerste instantie alleen bekend van enkele vindplaatsen in Limburg en de eerste waarneming buiten die provincie dateren uit 1898 tot hij in Zuid-Holland werd aangetroffen. Ondertussen komt hij heel spaarzaam in het hele kustgebied voor. Mogelijk dat de opwarming van de aarde bij de bijenorchis heeft gezorgd voor een steeds noordelijker verspreiding.
[Foto: eol.org]
De bijenorchis houdt van een kalkhoudende, ietwat vochtige ondergrond en dat resulteert in een aantal behoorlijk verschillende vindplaatsen. In Zuid-Nederland groeit hij op opgespoten (en onbespoten) terreinen, langdurig braakliggende akkers en zorgvuldig gemaaide (en niet bemaaide) bermen. Ook de vochtige kalkrijke duinen van de Waddeneilanden blijken een perfecte plaats te zijn voor de bijenorchis: op Texel werd de plant al eens aangetroffen en recent (2013) is het allereerste exemplaar op Terschelling gevonden.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Ophrys, is afkomstig van het Griekse woord ophrys, dat ‘wenkbrauw’ betekent. Het tweede deel, apifera, is een combinatiewoord uit het Latijn, waarbij apis ‘bij’ betekent en fera ‘dragend’ is. Deze orchidee is dus ‘bijdragend’.

De zeldzame bijenorchis dankt zijn naam aan het feit dat de onderste lip van zijn bloem sprekend op een honingbij lijkt. Die vorm is vermoedelijk bedoeld om andere bijen de indruk te geven dat er honing te halen is omdat de illusie wordt gewekt dat er al een honingbij bezig is.

Al die illusies zijn eigenlijk volstrekt overbodig omdat bij de bijenorchis gewoonlijk zelfbestuiving optreedt. Dat kan hij zo goed dat het resultaat vaak beter dat familieleden, die het alleen van bestuiving moeten hebben om zich voort te planten. Toch zijn bijen niet geheel nutteloos, want zij dragen er vermoedelijk toe bij dat binnen de soort vele variaties in bloemkenmerken zijn ontstaan. Die zelfbestuiving is in onze contreien uit bittere noodzaak ontstaan: in het Middellandse Zeegebied vindt de bestuiving door leden van de bijenfamilie Eucera plaats. De bijenorchis produceert een geurtje die de onweerstaanbare geur van een vrouwelijke bij imiteert. Die bijenfamilie is niet meeverhuisd naar het koelere noorden.

Wilde asperge

Wie kent niet de asperge, die als een delicatesse op menige menukaart van restaurants prijkt. Die groente wordt in ons land voornamelijk in zuidelijke provincies verbouwd omdat die streken zowel als de warmste als de droogste gelden. Zijn wortels stonden oorspronkelijk in de Kaukasus, het gebergte waar Turkije, Iran en Armenië hun grenzen delen.

Laat je de asperge echter met rust dan zal hij uitgroeien tot een doffe donkergroen gekleurde hoge tot zeer hoge struik met vele vertakkingen. Uiteraard komt deze ook weer verwilderd voor en is dan voornamelijk aan te treffen in bermen, verstoorde terreinen en langs rivieren. Die versie noemen we de tuinasperge (Asparagus officinalis officinalis).

In de duinen van vrijwel alle Waddeneilanden kan ook een andere ondersoort worden aangetroffen, de liggende asperge (Asparagus officinalis prostratus) en die kenmerkt zich doordat de stengel nét boven de grond een knik zal maken, waardoor de rest van de plant ligt of zich hoogstens aan de top wat probeert op de richten. Vaak heeft deze variant een opvallend blauwachtige tint. Door zijn afwijkende vorm blijkt de liggende asperge natuurlijk een stuk kleiner dan zijn broertje, maar kan bijna even omvangrijk worden. Men denkt dat de liggende asperge gezien moet worden als een échte wilde asperge.
[Foto: wildlifeinsight.com]
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Asparagus, is een bron van strijd onder wetenschappers: het zou volgens sommige afkomstig zijn van het Griekse woord sparasso (‘ik verscheur’), wat zou slaan op de krachtige stekels bij een aantal soorten. Volgens andere komt het van een ander Grieks woord sparagoo (‘tot barstens toe gevuld zijn’), vanwege de vlezige spruiten. De echte oorsprong van de naam moet echter verder weg gezocht worden, want in het Perzisch en het Arabisch was esferâj de naam voor asperge. Nog verder weg in de geschiedenis was spareǧa in het Avestaans (een vergeten taal in Iran) een voor woord ‘spruit’. Het tweede deel, officinalis, is verwant aan het huidige Engelse woord office en was in het Latijn een woord voor ‘handelshuis voor geneeskrachtige planten’. In het derde deel, prostratus, is afgeleid van het Latijnse prostrates van pro 'voor' en sternere ‘uitspreiden’. Sommige gelovigen werpen zich op de grond in de kerk om liggend hun god of afgodsbeeld te aanbidden. Zij liggen dan prostraat.

De asperge werd door de Grieken en Romeinen zeer gewaardeerd als groente, maar met de val van het Romeinse Rijk verdween ook de asperge van het menu in geheel Europa. Het is een teken dat de ineenstorting meer dan alleen militair was; hele beschavingen verdwenen en de duistere Middeleeuwen begonnen direct daarna. De asperge was echter door de Moren niet vergeten en die brachten hem met hun veroveringstochten weer naar Spanje.

Het vreemde uiterlijk van de asperge heeft ook te maken met zijn zoutminnende eigenschappen en het is dus geen wonder dat hij zich thuis voelt op de Waddeneilanden.

Suikerwier

Suikerwier (Saccharina latissima) heeft de toekomst en gebruikt het verleden om te groeien. Suikerwier behoort tot de grote familie der bruinwieren (Laminariaceae) en komt voor in de noordelijke Atlantische Oceaan, vanaf de koude Barentszzee tot de noordelijke kusten van de Spaanse regio Galicië. In Nederland is hij plaatselijk vrij algemeen in de wateren van de Oosterschelde, in het Marsdiep bij Texel en onder Terschelling.

Suikerwier is geelbruin tot bruin van kleur en kan tot behoorlijke afmetingen uitgroeien. Het wier kan zo’n vijf meter lang worden en dan een breedte bereiken van twintig centimeter. Aan de zijkanten is suikerwier dunner en golvend om zich beter met de stroming van eb en vloed mee te kunnen laten voeren. Hij verankert zich aan rotsen of een andere stevige ondergrond.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Saccharina, betekent ‘als suiker’ of ‘lijkt op suiker’ en het woord is terug te voeren tot het Latijnse woord saccharon (‘suiker’) en dat zelf weer het Griekse woord sakkharon (‘suiker’) als bron heeft. Mocht u zich afvragen of de afstamming daar eindigt dan is het antwoord: nee. In het Sanskriet, de oeroude Indische taal, betekende sarkara zoiets als ‘grind’ of ‘gruis’. Het tweede deel, lattissima, is Latijns waar latus ‘breed’ betekent en latissimus ‘breedtste’ of ‘de meest brede’.
[Foto: NOAA Foto Library]
De vraag is natuurlijk waaraan het suikerwier zowel zijn Nederlandse naam als zijn wetenschappelijke naam te danken heeft. Welnu: wanneer de plant door een sterke stroming losslaat, aanspoelt op het strand en vervolgens opdroogt, verschijnt op het wier een wit laagje. Chemisch onderzoek heeft aangetoond dat dit de zoetstof mannitol is. Mannitol is een suikeralcohol ofwel een polyol met een zoetkracht van 0.7 keer die van suiker uit suikerbiet of suikerriet. Het is dus beslist geen synthetische zoetstof, maar is puur natuur.

De industriële revolutie heeft ons, behalve veel voorspoed, ook veel afvalstoffen nagelaten. Een van die afvalstoffen is fosfaat dat in het verleden in grote hoeveelheden in wasmiddelen werd gebruikt en leidde tot een bijna onstuitbare algengroei in het oppervlaktewater. Na invoering van fosfaatvrije wasmiddelen is de hoeveelheid fosfaten in het oppervlaktewater verminderd. Moderne vaatwastabletten bevatten vaak wel weer fosfaat, waardoor het fosfaatgebruik sluipenderwijs zijn weg terug heeft gevonden naar het huishouden. Zucht. De voorraad fosfaat is echter niet oneindig en dus zou een Nederlandse oplossing erg handig zijn. Het suikerwier - ook een alge - gebruikt echter fosfaat om te groeien en bevat tevens veel voor de mens nuttige eiwitten. Daarom zijn onderzoekers druk doende om te kijken of de teelt van suikerwier in zeeboerderijen commercieel haalbaar zou kunnen zijn.

Strandmelde

Veel mensen vergeten dat de Waddenzee niet begint of eindigt bij de Waddeneilanden, maar dat het vaste land er ook toe gerekend moet worden. Zeker een plaats als Harlingen is veel meer op zee dan op land gericht. Geen wonder dat de Harlingers van zichzelf zeggen dat ze met de rug naar Friesland staan en met het gezicht naar zee. De strandmelde (Atriplex littoralis), een zoutminnende plant uit de Ganzenvoetfamilie (Chenopodium), is een kustbewoner, die zowel op het strand van de Waddeneilanden als op het strand van Harlingen voorkomt.
 
De strandmelde is een tot 80 centimeter hoge, eenjarige zomerbloeier met smalle bladeren. Deze grijsgroene plant wordt aangetroffen in de gematigde kustgebieden van noordelijk Afrika, Europa en Azië. Ook plant hij zijn wortels met plezier in de binnenlandse zoutsteppen van Turkije en Rusland. In Nederland wordt de strandmelde slechts algemeen aangetroffen in het Zeeuwse Deltagebied en het Waddengebied. Elders aan de kust komt zij veel minder voor.
[Foto: Gabriele Kothe-Heinrich]
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Atriplex, is een naam die in de vorm van ater-plexus al door de Romeinse wetenschapper Gaius Plinius Secundus maior (23-79nC) werd gebruikt. We kunnen dat woord ontleden in twee Latijnse woorden waarbij ater 'donker', 'duister' of zelfs 'zwart' betekent en plexus van plectere ('met elkaar verweven') afstamt. Samen kunnen het vertalen als een 'donkere kluwen'. Sommige meldesoorten vormen inderdaad een kluwen laagliggende planten. Het tweede deel, littoralis, wordt vertaald met 'kust' al weten taalkundigen nauwelijks raad met de herkomst van het woord. Eigenlijk is het eenvoudig want litron was zout en dat werd vaak bij de kust gewonnen. De naam Ganzenvoetfamilie en zijn Latijnse variant Chenopodium is te danken aan het feit dat de bladeren van de meeste soorten inderdaad gelijkenis vertonen met de poten van ganzen. Tot slot is het woord 'melde' verwant aan het woord 'meel' omdat de bladeren van diverse meldesoorten met een wit poeder bedekt lijkt.

De strandmelde groeit tussen het vloedmerk. Hoog op het strand en tegen de voet van zeedijken ligt een strook, die bezaaid is met resten van aangespoelde planten en wrakhout. Dit materiaal gaat tot ontbinding over en daarbij komen stikstofverbindingen vrij. Die verbindingen vormen het zo noodzakelijke voedsel voor vele standbewonende planten. Maar doordat in de zomer door verdamping het zoutgehalte enorm kan oplopen zijn maar weinig zelfs zoutminnende planten bestand tegen deze overdaad aan zout. De strandmelde draait er zijn hand niet voor om.

Het gekookte zaad van de strandmelde zou, wanneer je het met wat honing inneemt, kunnen helpen om geelzucht te bestrijden, het zou de lever verkoelen, het slijm verjagen en het 'verwekt zachtjes eene buiklossing'. Laat die strandmelde maar rustig staan.

Zeegerst

Op de Waddeneilanden Texel, Terschelling en Schiermonnikoog worden soms exemplaren aangetroffen van zeegerst (Hordeum marinum). Dat woordje 'soms' moet in dit geval echt letterlijk genomen worden want de plant is zo zeldzaam dat hij op de Nederlandse rode lijst van planten is opgenomen. Natuurlijk is het geslacht gerst (Hordeum) het meest bekend om zijn cultuurgewas gerst (Hordeum vulgare), maar in ons land komen ook enkele wilde familieleden voor. Behalve de al genoemde zeegerst zijn dat bijvoorbeeld het kruipertje (Hordeum murinum), veldgerst (Hordeum secalinum) en kwispelgerst (Hordeum jubatum).

Zeegerst is een lage (50 centimeter), zeegroen gekleurde en eenjarige grassoort. De aar is gemiddeld een stuk korter dan andere gerstsoorten en is ten hoogste een centimeter of zes lang. Deze grassoort is een bewoner van een wat zwoeler klimaat en is dus het meest te vinden aan de Noord-Afrikaanse en Zuid-Europese kusten. In Zuidwest-Azië heeft hij zijn wortels gepost in de landinwaarts gelegen zoutsteppen. Toch is zijn meest noordelijke grens bij onze Waddeneilanden te vinden.

Het is een plant die van zilt grasland met een ondergrond van klei houdt en juist dat zijn tegenwoordig problematische gebieden geworden. Na de watersnoodramp van 1953 was men behoorlijk huiverig om het vee te laten weiden in de buitendijkse schorren en juist die begrazing heeft zeegerst nodig. De Deltawerken bleken voor zeegerst ook een behoorlijk hindernis want de dijken werden hoger en onnatuurlijker, zeearmen werden afgesloten en natuurlijke weilanden werden omgezet in intensief benutte cultuurgraslanden. Alles bij elkaar bleek het bijna de doodsteek voor zeegerst.
[Foto: A.J. Brown]
Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Hordeum, is simpelweg het Latijnse woord voor 'gerst'. Maar het woord hordeum is tegelijkertijd een broertje van het woord 'horror' want de stam van dát woord, horrere, betekent zoiets als 'trillen (van angst)'. De oervorm van beide woorden is terug te vinden in het Sanskriet waar harsate 'borstelhaar' of 'stoppel' betekent. Het tweede deel, marinum, komt van het Latijnse woord mer, dat 'zee' betekent.

Toch moeten we zuinig zijn op zeegerst want hij zou zomaar bepaalde genen kunnen bezitten, die handig zijn om in de gewone gerst in te bouwen. Met de toenemende verzilting van onze landbouwgronden zou de gewone gerst wel eens in de problemen kunnen komen. Dan kan de zoutminnende zeegerst plotseling wel eens heel nuttig blijken te zijn.

Hier in Nederland is zeegerst dus een zeldzame verschijning, maar in andere landen, zoals de Verenigde Staten en Australië kijkt men wat genuanceerder tegen deze grassoort aan. Hij wordt daar namelijk als een lastige exoot gezien. Misschien moeten we maar eens wat zaadjes gaan importeren.

Zeelathyrus

Tot het geslacht Lathyrus behoren nogal wat soorten en een aantal daarvan treffen we ook in de Nederlandse natuur aan. Op de Waddeneilanden treffen we soms de zeelathyrus (Lathyrus japonicus) aan. De zeelathyrus is een laagblijvende, ietwat vlezige en overblijvende plant. Het is een plant, die aan het begin van de zomer bloeit met bloemkronen die eerst paars zijn en daarna neigen tot blauw.

De zeelathyrus is een wereldbewoner en komt tegenwoordig voor aan zo'n beetje alle zeekusten van de koelere streken van het noordelijk en zuidelijk halfrond. Die prestatie is het gevolg van het feit dat de zaden tot wel vijf jaar lang kunnen blijven drijven zonder hun kiemkracht te verliezen en zich met de zeestromen mee laten voeren. De zaden ontkiemen uiteindelijk doordat zand en grind de buitenste laag van het zaad afschaven en dan ziet de zeelathyrus zijn kans schoon.
[Foto: Masgnus Maske]Add caption
In Nederland is hij echter bijzonder zeldzaam. Twee eeuwen lang werd tevergeefs gezocht naar een teken van leven van de zeelathyrus. Ook in de ons omringende landen leek de plant een treurig lot tegemoet te gaan. Maar in 1973 trof men de zeelathyrus volkomen onveracht toch weer aan op enkele verspreide vindplaatsen op de kusten van Noord-Holland en enkele Waddeneilanden. De zeelathyrus houdt hier van dijklichamen en de meeste vindplaatsen zijn dan ook tussen basaltkeien van beschoeiïngen aan de voet van zeedijken.

Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Lathyrus, is afkomstig van het Griekse woord lathuros dat zowel ‘erwt’ als ‘pols’ betekent. Het tweede deel, japonicus, betekent ‘(uit) Japan’ in het Latijn. Dit is dus de Japanse erwt.

De erwt is eetbaar en er bestaan verhalen dat in de Romeinse tijd hele legioenen met deze erwten gevoed konden worden. Hoewel de erwten gegeten kunnen worden moet je toch oppassen met lathyrussen. Ze bevatten namelijk β-oxalyl-L-α,β-diaminopropionisch zuur dat een aandoening veroorzaakt met de naam lathyrisme. De symptomen daarvan zijn verlammingsverschijnselen, langzame en zwakke polsslag, zwakke ademhaling en stuiptrekkingen. Het ziektebeeld heeft zelfs een aparte naam gekregen, lathysme.

 Lathyrisme is een chronische ziekte die veroorzaakt wordt door het langdurig eten van grotere hoeveelheden meel dat gemaakt is van diverse soorten lathyrus, waaronder de zeelathyrus. In Spanje wordt het ziektebeeld almorta (‘de sterfte’) genoemd en daar nam het probleem epidemische vormen aan tijdens en na de burgeroorlog (1936-1939). Ik weet het: hierboven werd gemeld dat de erwten van de zeelathyrus eetbaar waren, maar zo simpel is dat niet: alleen langdurig weken in water en daarna goed koken van de rijpe erwten zorgt voor de afbraak van het aanwezige gif.

Zeewinde

Zeewinde (Calystegia soldanella) is onderdeel van een grote familie kruipende en klimmende planten. In tropische gebieden vormt deze de zo bekende polsdikke lianen. Hier te lande neemt de winde genoegen met een kruipend bestaan, maar kan zich verstikkend winden om allerlei planten. Zeewinde is een laagblijvende, kruipende plant met vrij kleine niervormige bladeren. Deze plant bloeit in de zomer met purperroze bloemen, die voorzien zijn van witte naar buiten uitstralende banden. De bloemen gaan met de kippen op stok en openen zich weer de volgende ochtend.

Zeewinde is diepwortelend en is daardoor bijzonder geschikt voor een onstabiele ondergrond zoals het zand van strand en duin. Het is een plant die specifiek is aangepast aan een leven op de zeereep. Hij is aangepast aan een mogelijke overstuiving en ontwikkelt zich het best op plekken waar het vloedmerk onder het duinzand ligt. In Nederland zoekt hij toch wat meer beschutting door aan de lijzijde van duinen zijn plekje te zoeken. Ook vind je hem wel nabij de bebouwde kom of ietsjes verder van zee.
[Foto: Strobilomyces]
                                                                 
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Calystegia is een combinatiewoord uit het Oudgrieks, waarbij calyx'kelk' (de buitenste krans van de bloem) betekent en met stegos zoiets als 'bedekking' wordt bedoeld. Dat bedekken kán een dak van een huis zijn, maar ook om iets beschut te houden. In dit geval worden de bloemen van deze windefamilie eerst beschermd door een soort schutblaadjes. Het tweede deel, soldanella, is van Latijnse oorsprong. Solidus was de naam van een Romeins muntstuk van goud dat ongeveer 25 dinarii waard was. Soldaten werden ermee betaald en dat is de reden dat zij soldij krijgen en wij gewoon salaris. De blaadjes van de zeewinde hebben de vorm van een muntstuk.

Oorspronkelijk was zeewinde een plantje, dat bivakkeerde vanaf de zeekusten van Noord-Afrika tot die van Schotland en Denemarken. Ondertussen is hij wereldwijd aangetroffen in alle gebieden met een gematigd klimaat.

Zeewinde is in het bezit van bitter en bijtend melksap dat uit het blad stroomt wanneer deze beschadigd raakt. Ooit, in een nog niet zo ver verleden, meende men dat er dit melksap een helende werking moest bezitten. Een handvol bladeren werd in een soep gekookt en dat moest helpen om een betere stoelgang te krijgen. Ietsje teveel en er ontstond een gevoel van misselijkheid en braken. Gekneusde bladeren werden vroeger wel ingezet om een abortus op te wekken. Ongewenst zwanger zijn was vroeger al geen pretje, maar op die pijnlijke manier een zwangerschap moeten beëindigen was is wel een erg treurig einde.

Sint Janskruid

Sint Janskruid (Hypericum perforatum) is een hertshooiachtige. Om u niet teveel in spanning te laten zitten, verklaar ik nu al dat 'hertshoorn' een verbastering is van 'hard hooi'. De stengels van de hertshooiachtigen zijn vaak hard. Vandaar. Sint Janskruid is een middelhoge, sterk vertakte en met prachtige helgele bloemen, die omstreeks de feestdag van de heilige Sint Jan in bloei zal staan. Vandaar.

Oorspronkelijk groeide en bloeide Sint Janskruid in geheel Europa, delen van Azië en het Noord-Afrikaanse Atlasgebergte. Tegenwoordig is Sint Janskruid een ware wereldbewoner. Hij houdt van droge, zonnige plekken en die kun je inderdaad wereldwijd wel aantreffen.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Hypericum, is van Griekse herkomst. Al in 288 vCr noemde Euryphon, een wijze Griekse arts, de plant Yperikon. Dat schijnt een tweeledig Grieks woord te zijn van hyper ('boven') en eikon ('figuur' of 'geest'). Samengevoegd zouden deze woorden verklaren dat Sint Janskruid als sinds onheugelijke tijden boven heiligdommen werd opgehangen om kwade geesten af te schrikken. Het tweede deel, perforatum, is Latijn en betekent 'doorboord' en we herkennen hierin zelfs nog het Nederlandse woord 'geperforeerd'. Het beschrijft de gaatjes in het blad.

Van Sint Janskruid wordt algemeen aangenomen dat hij effectief is tegen milde tot matige depressies. Het beschikbare wetenschappelijke bewijs toont inderdaad aan dat stofjes in de plant dezelfde werkzaamheid hebben als chemische antidepressiva. Het werkzame bestanddeel van Sint Janskruid is hyperforine. Onderzoek heeft uitgewezen dat hij de heropname remt van bepaalde neurotransmitters, zoals serotonine, norepinefrine en dopamine. Dat zou moeten kloppen want moderne medicijnen tegen depressie zijn de zogenaamde SSRI's (Selective Serotonin Re-uptake Inhibitors). De hyperforine heeft ook nog eens antibacteriële eigenschappen is effectief tegen bepaalde stammen van Staphylococcus aurus, die resistent zijn geworden tegen bepaalde vormen van penicilline. Sint Janskruid heeft dus vermoedelijk een interessante toekomst voor zich.

Maar er zit niet alleen hyperforine in Sint Janskruid. Er zit bijvoorbeeld ook hypericine in en dat stofje heeft de neiging zich in de huid op te hopen en dan kun je onder invloed van zonlicht last krijgen van brandwonden. Da's een ziektebeeld dat men fyto-fotodermatitis noemt. Verder zijn er berichten dat Sint Janskruid de werking van bepaalde medicijn beïnvloedt. Voorbeelden hiervan zijn de anticonceptiepil, de cholesterolverlagende statines, bloedverdunners als warfarines, en kalmerende middelen als benzodiazepines.

Mocht je dus op Vlieland een exemplaar van Sint Janskruid aantreffen, dan zou ik hem maar laten staan. Die depressie, waar je aan leed toen je de vaste wal verliet, waait op Vlieland vast wel uit je hoofd.

Rode bosbes

De rode bosbes (Vaccinium vitis-idaea) is een kleinblijvend altijdgroen struikje. Men schaart hem onder de heidefamilie (Ericaceae) en de soort (met wat ondersoorten) groeit in de gematigde streken van het hele noordelijk halfrond. De kleine bladeren zijn leerachtig en dat is een handige mathode om ook bij vorst te kunnen overleven. Van de late zomer tot dik in de herfst rijpen de bessen tot prachtig helderrood.
De rode bosbes wordt ook wel vossenbes genoemd en het verhaal gaat dat die naam ontstaan is omdat vossen de bessen zouden eten. Die verklaring kan direct naar het rijk der fabelen verwezen worden want vossen eten die friszure bessen echt niet. In het Engels heet de rode bosbes de cowberry ('koebes'), maar ook koeien lusten hem niet. Het vreemde is dat ook van het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Vaccinium, nog altijd gemeend wordt dat het afkomstig is van het Latijnse woord vacca, dat 'koe' betekent. Veel aannemelijker is dat een sukkel ergens in de geschiedenis de 'b' voor een 'v' heeft aangezien. Baccinium betekent namelijk gewoon 'besdragend' in het Latijn.

De rode bosbes is natuurlijk een direct familielid van de de blauwe bosbes (Vaccinium myrtillus), blauwe bes (Vaccinium corymbosum) en de rijsbes (Vaccinium uliginosum). Verwante soorten zijn de kleine veenbes (Oxycoccus palustris) en de grote veenbes (Oxycoccus macrocarpon). Die laatste kennen we natuurlijk veel beter onder de naam cranberry. Dat hij zich tot deze illustere familie mag rekenen, betekent ook dat er nogal wat gezonde stofje in de rode bosbes zullen schuilen.

De bessen zitten boordevol vitamines, voornamelijk vitamine C, provitamine A en enkele varianten vitamine B (B1, B2 en B3). Daarnaast zitten er nog wat sporenelementen in: kalium, calcium, magnesium en fosfor. Net zoals we al bij de cranberry hebben ontdekt zitten er in de rode bosbes ook hele speciale antioxidanten met de bijkans onuitspreekbare naam van proanthocyaniden. Er wordt gedacht dat dit stofje de specifieke werking heeft om blaasontstekingen tegen te gaan. Dat al die gezondheid in zo'n klein besje past is eigenlijk een groot mirakel.

De wetenschap heeft zich ook al over de rode bosbes ontfermd en het blijkt dat hij nog wel eens gezonder kan zijn dan zelfs de meest hoopvolle gebruiker gedacht had. Zelfs kankercellen blijken duidelijk geremd te worden door de proanthocyaniden. Voorlopig alleen nog maar in een reageerbuisje, maar gezond is de rode bosbes zeker.

De zaden ook nog rijk aan omega-3 vetzuren. Dat betekent dat, als je de keus hebt tussen sap uit een fles of sap uit een bes, je altijd moet kiezen voor puur natuur: de bes.

Heermoes

Heermoes (Equisetum arvense) of akkerpaardenstaart behoort tot de Paardestaartfamilie (Equisetaceae) en daartoe behoren planten, die al 400 miljoen jaar geleden hun hoogtepunt hebben gehad. Heermoes is dus een overblijfsel uit oeroude tijden en zo ziet hij er ook uit. Het is een achterneefje van de varens en ze leven tegenwoordig in grote gebieden van Europa. Azië, het Midden-Oosten en Noord-Amerika. De plant lijkt in eerste instantie wat op een asperge, maar gaat later in het jaar steeds meer lijken op een varen.
Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Equisetum, is een combinatiewoord uit het Latijn, waarbij equus natuurlijk 'paard' betekent en saeta een wat ruimer begrip is als 'haar'. Denk daarbij aan borstelhaar of stoppelhaar. Samen kun je daar eenvoudig 'paardenstaart' van maken. Het tweede deel, arvense, is ook een Latijns woord en betekent ‘van het veld’.

Heermoes staat al sinds de tijden van de oude Griekse en Romeinse geneeskunde bekend als medicijn. Het werd gebruikt om bloedingen te stoppen, zweren en wonden te genezen, tuberculose te behandelen en nierklachten te verhelpen. De plant bevat ook silicium, een element dat een rol speelt bij het sterk houden van botten. Dat is dan ook de reden dat heermoes soms voor osteoperose (botontkalking) wordt voorgeschreven.

Tot zover geen echt slecht nieuws dus. Dat komt nu pas.

Heermoes bevat het enzym thiaminase en dat breekt vitamine B1 af. Het slikken van heermoes kan het niveau van de noodzakelijke vitamine B1 dus laten zakken. Dat betekent dat, als je heermoes langere tijd slikt, de last kunt krijgen van de effecten van een vitamine B1-deficiëntie. Een chronisch tekort kan zich in een tweetal vormen van beriberi uiten: eentje tast het hart- en vaatstelsel aan en de tweede levert vervelende neurologische symptomen op. Heermoes drijft tevens vocht af en dus zouden mensen die toch al normale medicatie slikken om overtollig vocht uit het lichaam te verwijderen, heermoes links moeten laten liggen. Teveel vochtverlies levert niet alleen dehydratie op, maar ook belangrijke stoffen als kalium worden door heermoes het lichaam uitgespoeld. Dat kan een probleem dat hypokalemia genoemd wordt opleveren. Hypokalemia kan spierzwakheid veroorzaken, spierpijn, spierklemmen (ten gevolge van gestoorde functie van de skeletachtige spieren) en constipatie (van gestoorde functie van vlotte spieren).

Tot slot belemmeren stofjes in de heermoes het lichaam om lithium af te voeren en dat kan resulteren in een gevaarlijke ophoping van lithium in het lichaam. Een teveel aan lithium zorgt voor verwardheid en een onduidelijke spraak. Uiteindelijk is een lithiumvergiftiging zelfs dodelijk.

Recept: Cosmopolitan

De vermoedelijk pas in 1986 ontwikkelde alcoholische mixdrank Cosmopolitan is een heerlijke cocktail op basis van vodka, Cointreau en cranberrysap. Deze cocktail is eigenlijk pas echt wereldwijd in de belangstelling gekomen omdat de hoofdrolspeelsters uit de populaire televisieserie Sex in the City ook verzot waren op deze cocktail. Terecht.

Het kan niet anders dan ook op Vlieland deze cocktail gedronken zal gaan worden.

Cosmopolitan:
4,0 cl vodka citron (Absolut Citron)
2,0 cl Cointreau
2,0 cl vers limoensap
2,0 cl cranberrysap

Bereidingswijze:
Doe alles met wat ijsblokjes in een shaker en schud de shaker totdat alle ingredienten goed gemixt zijn. Giet daarna de mix in een cocktailglas.

Probeer ook eens de heerlijk verfrissende Duindoorn Cosmopolitan:
4,0 cl vodka citron (Absolut Citron)
2,0 cl Cointreau
2,0 cl vers limoensap
2,0 cl duindoornsap

Bereidingswijze:
Doe alles met wat ijsblokjes in een shaker en schud de shaker totdat alle ingredienten goed gemixt zijn. Giet daarna de mix in een cocktailglas.

Wakame wier


Het wakame wier (Undaria pinnatifida) is, zoals we zullen lezen, een plant mee twee gezichten. In de Waddenzee is dit bruinwier in 2008 voor het eerst aangetroffen en dat is eigenlijk rijkelijk laat. Hij hoort thuis in de koele kustwateren van Japan, Korea en China. Was hij daar maar gebleven want ondertussen heeft hij zich de laatste tientallen jaren ongevraagd gevestigd in landen als Australië, Nieuw Zeeland en de Verenigde Staten.

Het zijn de Fransen die deze keer de beschuldigende vinger moeten ontvangen. De eerste keer dat wakame wier in Europa werd waargenomen was aan de Franse kust van de Middellandse Zee waar het per ongeluk geïntroduceerd was bij de aankomst van Japanse oesters, die daar geteeld worden. Vervolgens waren het ook onnadenkende Fransen, die het niet zo slimme idee hadden dat dit wier ook voor de Franse keuken interessant kon zijn en zijn al vanaf 1983 begonnen met het kweken van wakame wier langs de kusten van Brittannië. Je snapt wel dat al die Franse acties niet zonder gevolgen kon blijven. Ook kustwateren van Europa bleken niet dus bestand tegen het opportunistische wakame wier. Hij heeft ondertussen de twijfelachtige eer om genomineerd te zijn als een van de honderd meest vervelende invasieve soorten ter wereld.

Wakame wier is voorzien van een rubberachtig, tot drie meter lang blad met golvende randen. In Japan en Korea wordt wakame wier al eeuwenlang geoogst en is het een ingrediënt voor diverse gerechten.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Undaria, is afkomstig uit het Latijn waar het woord undulatus 'golvend' betekent en de vorm van de wierfamilie aanduidt. Het tweede deel, pinnatifida, is een combinatiewoord uit het Latijn: pinnatus is 'geveerd' en fid is 'barst' of 'spleet'. Samen beschrijft het de vorm van deze specifieke wiersoort.

Zoals gemeld is wakame wier wel eetbaar en het heeft een subtiele zoetige smaak met een gladde onaangename bite. Dat mondgevoel zorgt ervoor dat wakame wier altijd in hele kleine stukjes gesneden wordt als het in een gerecht wordt verwerkt. Volgens Chinese vrienden kan het vers in salades, gekookt in soepen of gewoon als groente gegeten worden.

Als wakame wier over een paar jaar uitbundig in de Waddenzee groeit en het inheemse wier aan het verdringen is dan zouden creatieve Vlielandse koks dit wier zoveel als mogelijk is op het menu moeten zetten. Het is namelijk wel heel gezond. Er zit zelfs een stofje (fucoxanthine) in dat helpt bij afslanken doordat het stimulerend werkt op een vetverbrandende proteïne.

Kattendoorn

Kattendoorn (Ononis spinosa) is lid van de vlinderbloemfamilie en dat is een van de soortenrijkste families binnen de flora met ruim 20.000 soorten bloemen en struiken. De familie heeft een wereldwijd verspreidingsgebied. Kattendoorn is wat minder geneigd de wereld rond te reizen, maar toch kan men hem in grote delen van Europa, noordelijk Afrika en streken in Azië aantreffen. In Nederland zit hij aan de grens van zijn verspreidingsgebied en is hij vrij zeldzaam.

De kattendoorn is een kleine struik die een hoogte van maximaal 60 centimeter kan bereiken. Hij bloeit met witte, roodwitte of roze bloemen. De kattendoorn is, zoals zijn naam al doet vermoeden, in het bezit van een vervaarlijke doorn.
Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Ononis, is afgeleid van het Griekse woord onos dat als 'ezel' vertaald wordt en de betekenis heeft van 'nutteloos (als veevoeder)' en probeert dus te verklaren dat alleen ezels (en geiten) zich aan de struik durfden te wagen. Het tweede deel, spinosa, komt uit het Latijn waar spina 'doorn' betekent.

De Griekse wetenschapper Pedanius Dioscorides (40 – 60 nCr) schreef in zijn vijfdelig standaardwerk over plantaardige geneeskunde 'De Materia Medica', onder andere, ook over kattendoorn. Hij meende dat de wortel de urineproductie verhoogt, nierstenen en niergruis voorkomt en etterende zweren kan genezen. Bovendien zou het werkzaam zijn tegen blaasontstekingen, galstenen, geelzucht, reuma en jicht. Zijn ideeën zijn tot ver na de Middeleeuwen in zwang gebleven. De vraag is dus of men eeuwenlang heeft geloofd in de waandenkbeelden van een ouwe gekke Griek of dat die oude Griekse wetenschapper het mogelijk toch bij het rechte eind heeft gehad.

Kattendoorn bevat een aantal werkzame stoffen, zoals essentiële oliën, ononine, onodine, pterocarpan, spinonine en wat looistoffen.

Onderzoek heeft uitgewezen dat een extract van kattendoorn een behoorlijke werking bleek te hebben tegen de schimmels Aspergillus flavus, Fusarium moniliforme en Candida albicans. De onderzoekers moesten ook tot de conclusie komen dat de werking bijna net zo goed was als die van een antibioticum. En dat is goed nieuws omdat door te uitbundig voorschrijvende artsen en direnartsen steeds meer bactieriestammen resistent worden tegen verschillende soorten antibiotica en men ondertussen koortsachtig op zoek is naar vervangende middelen. Een ander onderzoek leek bewijzen op te leveren dat kattendoorn een effect heeft dat vergelijkbaar was met de pijnstillende werking van aspirine, terwijl het middel tegelijkertijd geen schadelijke effecten op de lever had.

De conclusie is dus gerechtvaardigd dat die oude Grieken in veel gevallen gelijk hadden met hun inzichten over de mogelijke werking van kattendoorn.