De gekroonde ganzenbloem (Glebionis coronaria) is een soort bloeiende plant in de familie Asteraceae. Deze plant komt van nature voor aan de kusten van het Middellandse Zeegebied en verder naar het oosten toe tot in Iran en naar het westen toe tot op de Canarische Eilanden. In Nederland is de plant een adventief, een woord dat stamt uit het Latijn, waar adventītius zoiets als 'nieuwkomer' betekent [denk aan: advent 'komst (van Kerst)']. In Nederland en ook in het Waddengebied komt deze plant maar zelden voor.
De gekroonde ganzenbloem is een eenjarige plant, waar twee varianten van bestaan: Glebionis coronaria coronaria en Glebionis coronaria discolor. De gekroonde ganzenbloem doet het goed in milde en gematigde klimaten, maar vormt bij te warm zomerweer voortijdig bloemknoppen. De plant wordt 30 tot 80 cm hoog. De bladeren zijn aromatisch en kunnen tot vijf centimeter lang en een centimeter of drie breed worden. De bloemhoofdjes zijn 3 tot 6 centimeter groot. De vrucht is een geribd nootje.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Glebionis, is afgeleid van het Latijnse woord gleba, dat 'kluit aarde of grond' betekent. In de Engelse taal is glebe een verouderd woord dat kerkgrond of akkergrond aanduidt. Het tweede deel, coronaria, is ook uit het Latijn geleend. Daar betekende corōna 'kroon'.
Op Kreta wordt een variant van de soort, mantilida (μαντηλίδα), door de lokale bevolking rauw of gestoomd gegeten.
De bladeren van de plant worden in veel Aziatische keukens toegepast. Normaal gesproken worden alleen de bladeren gegeten, maar ook de stengel met zijn iets sterkere smaak kan gebruikt worden. Ze kunnen gestoofd, gestoomd, geroerbakt, gefrituurd of aan soepen toegevoegd worden.
In de Koreaanse keuken wordt de plant ssukgat (쑥갓', 'kroonmargriet') genoemd en gebruikt als ingrediënt in diverse soepen en stoofschotels, maar ook als bijgerecht (namul).
In de Chinese keuken heet het kruid tong ho choy in het Kantonees en tóng hāo cài (茼蒿菜, 'chrysantgroenten') in het Mandarijn. Het wordt gebruikt als ingrediënt voor roerbakgerechten, stoofschotels, ovenschotels en hotpots.
In de Japanse keuken wordt het shungiku (春菊 'lentechrysant") genoemd en gebruikt in nabemono, gemengd door rijst, of besprenkeld met sojasaus en sesamzaadjes als bijgerecht. Het wordt ook vaak toegevoegd aan sukiyaki.
In de Vietnamese keuken staan de bladeren bekend als cải cúc of tần ô ('chrysantengroen') en worden ze gebruikt in canh ('soep') of als bijgerecht bij verschillende noedelsoepen.
Nu kan ik me voorstellen dat een inventieve chef-kok op de Wadden een heerlijke salade met de gekroonde ganzenbloem kan verzinnen, maar daarvoor is deze plant te zeldzaam. Laat maar mooi staan dus.

